Onze herhaling van vandaag behandelt het volgende:
(26) Mijn aanvalgedachten zijn een aanval op mijn onkwetsbaarheid.
Hoe kan ik weten wie ik ben wanneer ik mezelf als voortdurend aangevallen zie? Pijn, ziekte, verlies, ouderdom en dood lijken mij te bedreigen. Al mijn hoop en al mijn wensen en plannen lijken overgeleverd aan de genade van een wereld waarover ik geen controle heb. Toch zijn volmaakte veiligheid en volledige vervulling mijn erfgoed. Ik heb geprobeerd mijn erfgoed weg te geven in ruil voor de wereld die ik zie. Maar God heeft mijn erfgoed veilig voor mij bewaard. Mijn eigen werkelijke gedachten zullen mij leren wat het is.
(27) Ik wil niets liever dan zien.
Omdat ik inzie dat wat ik zie, weerspiegelt wat ik denk dat ik ben, besef ik dat visie mijn grootste behoefte is. De wereld die ik zie, getuigt van het angstwekkende karakter van het zelfbeeld dat ik heb gevormd. Als ik me herinneren wil wie ik ben, is het essentieel dat ik dit beeld van mezelf loslaat. Wanneer dit door de waarheid wordt vervangen, zal visie mij zeker gegeven worden. En met deze visie zal ik de wereld en mezelf bezien met barmhartigheid en liefde.
(28) Ik wil niets liever dan anders zien.
De wereld die ik zie, houdt mijn angstwekkende zelfbeeld in stand en verzekert de voortzetting ervan. Zolang ik de wereld zie zoals ik haar nu zie, kan de waarheid niet tot mijn bewustzijn doordringen. Ik zal de deur achter deze wereld voor mij geopend laten worden, zodat ik daarachter de wereld kan zien die de Liefde van God weerspiegelt.
(29) God is in alles wat ik zie.
Achter elk beeld dat ik heb gevormd, blijft de waarheid onveranderd. Achter elke sluier die ik getrokken heb over het gelaat van de liefde, blijft het licht daarvan ongedimd. Achter al mijn krankzinnige wensen ligt mijn wil, verenigd met de Wil van mijn Vader. God is nog altijd en voorgoed overal en in alles. En wij die deel zijn van Hem, zullen uiteindelijk voorbijzien aan alle verschijningen en de waarheid daarachter herkennen.
(30) God is in alles wat ik zie, want God is in mijn denkgeest.
In mijn eigen geest, achter al mijn krankzinnige gedachten van afscheiding en aanval, ligt de kennis dat alles voor altijd één is. Ik heb de kennis van Wie ik ben niet verloren door die te vergeten. Ze is voor mij bewaard in de Geest van God, Die Zijn Gedachten niet verlaten heeft. En ik, die daartoe behoor, ben één daarmee en één met Hem.